De dagen worden korter, de lucht wordt frisser. Men komt thuis, sluit de deur en het eerste vuur van het seizoen wordt aangestoken.
Bij het haardvuur
Het hout knispert in de haard, het licht wordt amberkleurig en glijdt over de muren. Men wikkelt zich in een dikke trui, trekt de kraag op tot aan de wangen en laat de tijd vertragen. Ruiten en strepen, vertrouwd als een oud plaid, vergezellen deze trage uren. Hier heeft niets haast: de warmte nestelt zich zachtjes, en daarmee het verlangen om te blijven.
De tijd vertraagt, de wol verwarmt.
Een vonk
Toch glinstert er onder de zachtheid iets. Het zwarte leer van een pilotenjack met kraag van lamsvacht, de glans van een vinylrok, de koperkleurige weerspiegeling van lurexbreisel, enkele strass-steentjes op een gestreept overhemd.
Als een gloeiende kool die weigert te doven, behoudt Woodsmoke altijd een vleugje durf. Men nestelt zich behaaglijk, jazeker, maar met zelfvertrouwen.
Zacht vanbuiten, vurig vanbinnen.